Informatie over Marcel Rözer, spreker maar ook journalist, columnist, schrijver, programmamaker en speler.
Als ik dit schrijf, moet de E11 van Orion nog twee wedstrijden voetballen. Wonder boven wonder staan we op dit moment twee punten los, en dan heb ik het over de bovenkant van ranglijst. We kunnen dus kampioen worden!
Een raar fenomeen is dat: kampioen. En het ligt er ook helemaal aan hoe je het wordt. Zoals AZ dit jaar, dat was natuurlijk helemaal niks. Natuurlijk waren ze blij, maar de kampioens-euforie, een gevoel dat met niets te vergelijken valt, die was er niet. Het was langzaam geluk in plaats van het champagne-gevoel dat je eigenlijk zou moeten hebben. Het was een blauwtje lopen en bij thuiskomst toch nog een sms’je op je telefoon: ‘De volgende keer beter.’
Kampioen zijn betekent dat je voor even ‘de beste’ bent en eigenlijk zou ik het iedereen gunnen. Zelf de dufste kantoorklerk of de meest vastgeroeste onderwijzer zou kampioen moeten kunnen worden. Zijn of haar leven zou er een stuk levendiger uitzien. Natuurlijk is het gespeeld, het feit dat je ‘de beste’ bent is kunstmatig, want bijna altijd is er wel een betere te vinden. En als dat niet het geval is – Rafael Nadal, Tiger Woods, Manchester United – dan dreigt binnen een afzienbare periode wel het verval. Een kampioenschap is een momentopname en ik probeer de mannen van de E11 ervan te overtuigen dat ze, mocht het zover komen, ervan moeten genieten. Want het is net als bij het verwonderd kijken naar een volle maan die boven de horizon komt, je denkt dat je er een ontelbaar keren van kunt genieten, maar dat is een illusie.
Ik ben zelf best vaak kampioen geworden, niet zo gek als je al 200 jaar voetbalt en telkens een stapje lager gaat spelen. Mijn mooiste titel? Ik zou het niet kunnen vertellen. Van de lulligste weet ik nog wel alles. Het was op een mooie zaterdag, begin mei 1988. Ik was 27, en volgens de wetten van het voetbal ben je dan het sterkst. Na de dorpsclub in de Achterhoek en een jaar studentenvoetbal in Nijmegen was ik verkast naar Bennekom. Ik had me gewoon als lid aangemeld en gevraagd of ik een kans kreeg in de selectie. En verdomd, ik stond bij aanvang van de competitie gewoon in de basis. Hoofdklasse zaterdag! Daar kon ik mee thuis komen.
Ik was goed, maar naarmate het seizoen vorderde werd ik slechter. Ik begon na te denken over mijn spel en dat was best wel dom. Ik werd van basisspeler, pinch-hitter, en weer basisspeler en weer reserve. Kortom, toen de twee beslissende duels in zicht waren, zat ik op de bank. Zo ook de kampioenswedstrijd, DOVO uit.
Na 80 minuten stond het 2-0 voor de thuisclub, Bennekom was kansloos en ik hoorde zelfs niet bij de twee wissels die het blad nog moesten keren. Daar zat ik en ik zag hoe het onmogelijke gebeurde. Bennekom scoorde 2-1 en 2-2 en omdat we aan een punt genoeg hadden, waren we kampioen. Ja, ik juichte mee met mijn teamgenoten, maar het was surrogaat. Het was wat Wim Kieft en John Bosman een maandje later in Duitsland ervoeren. Frustrerend.
Vanavond voor het slapen gaan zal ik mijn zoon een ander verhaal vertellen. Dat ik drie keer scoorde en SDOUC (Samenspel Doet Overwinnen Ulftse Combinatie) daardoor kampioen werd in de vierde klasse D van de KNVB. Ergens ligt nog een vergeeld krantenartikel en volgens mij is er ook nog een foto waarop ik als een pauw over het veld paradeer. Ik zal ook vertellen over mijn vader, die zo’n beetje licht gaf langs de kant, zo trots was hij.
Opeens besef ik dat kampioen zijn nog iets heel typisch demonstreert. Als je jong bent, ben je trots om jezelf. Als je ouder wordt, ben je trots op je zoon. Ergens onderweg, in al die kampioenschappen, zit een omslagpunt. Ach, dat voetballen… Het is net het échte leven.